Vanmiddag vroeg ik me af wanneer ik voor het eerst ‘rancune’ voelde. In ieder leven gebeurt op een gegeven moment iets waarvoor je vergelding wilt. Ik gok dat ik ongeveer tien jaar oud was toen ik, zoals altijd om 15.00 uur, van school naar huis liep. Het was een wandeling van ongeveer een kilometer langs een andere school, het winkelcentrum, een kleine rotonde en vervolgens diagonaal door het park. Midden in dat park lag, en ligt, een groot betonnen plein. Twee basketbalveldjes, twee tennisbanen, afijn, het plein hierboven dus. Ik liep die dag samen met een klasgenootje. Laten we haar voor het gemak maar even Lisa noemen. Zo heette ze namelijk. Ik weet niet meer waarom Lisa met me mee liep, want ze woonde vanuit school gezien nog voor dit plein en kwam nooit bij ons over de vloer. Misschien ging ze naar het buurthuis. Doet er ook niet toe, ik weet zeker dat ze naast me liep toen er drie jongens op ons af kwamen. In mijn herinnering waren het enorme bullebakken, ze zullen dus een jaar of twaalf geweest zijn. Zonder iets te zeggen begonnen ze me te slaan en duwden me in de bosjes (1). Dat waren geen vriendelijke bosjes, maar kleredingen met scherpe stekeltjes.
Terwijl ik geduldig afwachtte tot de jongens klaar waren, ik was toen nog niet de macho held die ik nu ben, zag ik Lisa een paar meter verderop staan. Ze huilde en sloeg haar handen voor haar gezicht. Na een paar minuten liepen mijn beulen weg en Lisa ontfermde zich over me. Liep met me mee naar huis en ging pas weg toen ze me bij mijn moeder had afgeleverd. Die vroeg met verheven stem wat er in he-mels-naam gebeurd was. Snikkend deed ik mijn verhaal. Hoewel ik de daders volgens mij niet kende, moet mijn moeder de verblijfplaats van minstens één van hen achterhaald hebben. Ik herinner me levendig dat ze een medemoeder op behoorlijk agressieve en niet mis te verstane wijze liet weten dat als haar zoon me nog één keer zou aanraken, zij zijn benen zou breken.
Daarmee was de kous af, heb ik lang gedacht. Die jongens ben ik nooit meer tegen gekomen. Toch gebeurde er niet veel later iets dat, zo besef ik nu, direct te maken had met mijn avontuur in de bosjes. Ik was met een vriendje aan het voetballen (2) toen Paul aan kwam lopen en vroeg of hij mee mocht doen. Ik had een hekel aan Paul, maar stemde toch toe. Daar had ik al snel spijt van. Paul schoot de bal expres de verkeerde kant op en ging voor me staan als ik wilde uithalen. Ik had tot dat moment nog nooit een vlieg had kwaad gedaan, maar plotseling schopte ik hem in blinde woede zo hard als ik kon. En nog eens. En nog eens. Hij liep huilend weg.
Paul was het drie jaar jongere broertje van Lisa. Een gemakkelijk doelwit, net zoals ik dat voor die drie jongens was geweest. Misschien was ik onbewust boos op Lisa omdat ze daar maar stond te huilen, terwijl ik in elkaar geslagen werd. Misschien nam ik juist op Paul wraak omdat zijn zus niet had kunnen voorkomen dat ik in de stekels belandde. En meisjes slaan, dat doe je niet. Dat wisten die drie jongens en dat wist ik ook.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten